0

Winkelwagen

Bekijken Sluiten
Uw winkelmand is leeg

home expositieemotieshulpverlening

Hulpverlening

De eerste berichtgeving
Terwijl de zee toesloeg, riepen medewerkers van lokale telefooncentrales van de PTT wanhopig om hulp door alle instellingen die ze kenden, op te bellen, vaak tot het moment dat het water de apparatuur onklaar maakte. Diep in de nacht, in het weekeinde, werd hun stem te weinig gehoord. 

Een student, die het weekeinde bij zijn ouders op Schouwen-Duiveland doorbracht, en de eigenaar van een radiohandel in Zierikzee bouwden samen een zender en zonden vanuit het rampgebied een S.O.S.-signaal. Door hun onervarenheid duurde het lang voordat andere radiozendamateurs contact konden leggen, toen dat eenmaal gebeurd was, bleek later dat hun signaal tot in Italië was opgevangen.

Radiozendamateurs met draagbare apparatuur kwamen die eerste dagen vanuit heel Nederland om het geïsoleerde gebied te helpen ontsluiten en verzoeken om en aanbiedingen van hulp door te geven. De gemeenten Zwijndrecht en Willemstad waren de eerste gemeenten die middels een telexbericht op 1 februari rond half vijf 's morgens berichtten van een noodsituatie.

Urker vissers
De eersten die het overstroomde land van Goeree Overflakkee en Schouwen-Duiveland bezochten waren misschien wel de vissers uit Urk. Deze hadden een aantal schepen van hun vloot voor anker liggen in Breskens. Bij de eerste berichten over de stormramp reisden ze op zondag per bus naar Breskens en voeren zondagavond, in de storm die nog steeds woedde, uit met alle schepen die geen averij hadden opgelopen (verscheidene kotters waren op de kade geworpen door de golven). Ze legden contact met Scheveningen Radio en lichtten de autoriteiten in: Rijkswaterstaat, de Nederlandse Marine, het Rode Kruis. Met kleine bootjes voeren ze door de bressen in dijken en bevrijdden mensen van daken. Behalve de Urker vissers boden ook vissers uit Zierikzee en Yerseke hulp met hun schepen.

Opvang, geld en goederen
In de gebieden grenzend aan het rampgebied werden scholen en gemeenschapshuizen gereed gemaakt om evacués te ontvangen. Eenheden van het Rode Kruis, 'colonnes' genaamd, verzamelden o.a. kleding, bedden en medicijnen voor de berooide slachtoffers van de watersnoodramp. Aan deze oproep werd massaal gehoor gegeven. Al spoedig was er veel meer materiaal beschikbaar dan direct nodig was.

Tegelijkertijd werd het Nationaal Rampenfonds, een instelling die in 1935 is opgericht, nieuw leven in geblazen. Binnen enkele dagen nam Prins Bernhard het voorzitterschap van het Rampenfonds op zich en werden betaalde krachten aangenomen omdat de 14 vrijwilligers hun taak niet meer aankonden. Het Rampenfonds hield zich bezig met de inzameling van gelden, storten was mogelijk op giro 9575. Het Rampenfonds heeft uiteindelijk 137,8 miljoen gulden opgehaald. een gigantisch bedrag voor die tijd. Met dit geld zal de 'huisraadschade' plus wat kleinere posten als weduwe- en wezenuitkering, kinderuitzending e.d. worden vergoed.

Ieder gezin krijgt in eerste instantie een inhoud voor de linnenkast (initiatief zusterorganisatie Rode Kruis). Het bleek niet eenvoudig te beslissen hoe men de gelden van het Rampenfonds verder zou verdelen: moest iedere getroffene hetzelfde bedrag krijgen voor de inboedel? Voor de ramp waren er toch ook verschillen! Moest geld contant worden uitgekeerd? Bevoogdende burgermeesters waren bang voor verkwisting. Uiteindelijk werd 15 juni besloten dat er vijf klassen zouden komen en dat alle schade in kontanten zou worden uitgekeerd. Het bedrag was ongeveer zesduizend gulden voor een gemiddeld gezin dat alles verloren was.

De schade werd vastgesteld door enquêteurs en enquêtrices. Natuurlijk waren er mensen die klaagden dat spullen die beschadigd waren toch als deugdelijk werden aangemerkt, en dus niet werden vergoed. Terwijl er ook mensen waren die vertelden dat er ruimhartig beoordeeld werd.

Militaire hulp
Duizenden militairen en burgerambtenaren van de vier krijgsmachtdelen hebben zich tot het uiterste ingespannen gedurende deze nationale ramp die in totaal 1835 mensen het leven heeft gekost.
Alleen al op zondag 1 februari 1953, de dag waarop duidelijk werd hoe groot de ramp was, zijn meer dan vierduizend landmachtmilitairen in actie gekomen om op alle mogelijke manieren hulp te bieden aan de bewoners van de getroffen gebieden. In de dagen die volgden, zou dat getal oplopen tot ver boven de tienduizend militairen.

Onder de militairen die hulp verleenden vielen ook acht slachtoffers.

De landmacht, marine en luchtmacht deden wat binnen hun macht lag om te redden wat er te redden viel. Dijken moesten worden gedicht, zandzakken gevuld. Met vereende krachten van de drie krijgsmachtdelen zijn uiteindelijk 350.000 zandzakken neergelegd. Vaak door mensenhanden, maar soms ook uit vliegtuigen of helikopters geworpen.

Acute noodhulp omvatte echter veel meer. Terwijl de marine met sloepen mensen in nood evacueerde en lijken uit het water haalde, richtten landmachters in hoog tempo noodhospitalen en veldkeukens in. De Verbindingsdienst van de landmacht was 24 uur per dag in de weer om contact te leggen met de meest afgelegen plaatsen. Hulpverlening ter plekke was per eiland verdeeld: artilleristen namen Tholen voor hun rekening, genisten Goeree-Overflakkee en de commando's Schouwen-Duiveland. Gemobiliseerde reservisten werden ingezet om mensen bescherming te bieden tegen op de loer liggende plunderaars.

De aanvoer van levensmiddelen en medicamenten en andere materialen vond voor het grootste deel plaats door de lucht. Naast de enige Nederlandse militaire helikopter van dat moment, de Sikorsky S-51 'Jezebel' van de Marine Luchtvaartdienst, kwamen natuurlijk ook de vliegtuigen van de luchtmacht en marine - het waren er vele tientallen - veelvuldig in actie. Ook werden de vliegbases Gilze-Rijen, Valkenburg en Woensdrecht in allerijl opengesteld voor vliegtuigen en helikopters uit Amerika, Engeland, Zwitserland, België en Frankrijk. Uiteindelijk ging het om een luchtvloot van 200 vliegtuigen en 46 helikopters.

Na twaalf dagen van intensieve samenwerking kwam er een eind aan de grootschalige hulpverlening. De meeste militairen keerden op 12 februari terug naar hun eigen basis. Wel bleven er nog zo'n tweeduizend twee weken lang actief in het gebied. Hun voornaamste taak was het verhogen van de dijken. Deze klus was aan het einde van de maand februari 1953 geklaard.

Wij dropten zandzakken
Uit de Legerkoerier, 1953:
Op weg naar Krabbendijke, waar men op ons wacht.

Het gedeelte van Zuid-Beveland, dat wij het eerst bereikten, geleek een oase in de woestijn. Groen gras, kanalen en sloten, mensen en dieren, enfin leven. Tot aan de spoorlijn, die als speelgoed in elkaar is gedrukt, telegraafpalen erover gesmakt als lucifershoutjes. Daarna water en hier en daar een kapotte dijk. De droppingsploeg wordt actief. Bundels zandzakken worden voor de geopende deur opgestapeld. Twee man staan er achter, vastgebonden met een dik touw, een vliegkap en een stofbril op. Eén man zittend op de grond, de benen nog ingetrokken om straks de stapel met de voeten weg te kunnen duwen. Nieuwe bundels worden aangedragen en in de buurt van de opening gelegd.

Daar is Krabbendijke. Een rondje over het dorpje om het droppingsterrein op te zoeken. We zijn niet alleen voor ons uit een collega, waarschijnlijk de X 2 of X 3. Deze dropt ook. Een scherpe bocht, waarbij de linkervleugeltip naar de aarde wijst, brengt ons in zijn spoor.

Plotseling ontdekken we onder ons een klein veldje, waarop een zwaaiend figuurtje. 't Ligt midden in de bebouwde kom, niet zo heel erg gunstig, maar het zal wel niet anders mogelijk zijn. Tweemaal klinkt de bel. Klaarmaken, we gaan droppen. Dan nogmaals de bel, nu eenmaal. Driftig, bevelend. Droppen. De bundels schieten naar beneden. Tweede ronde. Opstapelen die bundels. De bel. Tweemaal. Dan weer eenmaal. Droppen. Er komt een Amerikaans toestel bij en een derde Dakota van de luchtmacht. Droppen. Zandzakken, steeds maar zandzakken. Als een draaimolen draaien we met z'n vieren rondjes. Systematisch, feilloos. Zandzakken, steeds maar zandzakken. Er kunnen er nooit genoeg zijn!

Wij vlogen terug. Dwars over Zeeland. Pernis, lichten, vol bedrijf en ...geen water. De maan kwam op, tenminste dat zei men. Wij zagen het niet en bemerkten amper onze landing op Valkenburg. Omdat wij Zeeland en de Zuid-Hollandse eilanden hadden gezien. Het was er nu zo rustig en het leek zo vredig, maar wij wisten, dat dit schijn was. Diep onder de indruk stapten wij uit het vliegtuig. Wij hadden zandzakken boven Krabbendijke gedropt ....

Schoonmaak
Toen het water in de overstroomde gebieden gezakt was, was de bende niet te overzien. Er was een enorme hoeveelheid wrakhout en puin van ingestorte huizen. De huizen die waren blijven staan, zaten vaak tot een hoogte van 1.80 m of meer onder de modder.

De Nederlandse Federatie voor Vrouwelijke Vrijwillige Hulpverlening die was opgericht in 1951 nam de hulpverlening en het vele schoonmaakwerk ‘krachtig ter hand'. Er kwamen ook (meest vrouwelijke) ‘slik- en sopploegen' uit Friesland, Waddinxveen, Lekkerkerk, Gorinchem en Twello. Andere groepen vrouwen uit Nederland steunden de schoonmakers en andere werkers als kookploeg. In het voorjaar en in de zomer kwamen er groepen padvinders en leerlingen van huishoudscholen meehelpen met opruimen. Ook kwamen er groepen studenten uit het buitenland.

Het akeligste werk werd gedaan door zogenaamde kadaver- en lijkenploegen. Hierin werkten meest mannen uit de getroffen gebieden zelf. Ze ruimden de dode beesten op. Zij identificeerden ook zoveel mogelijk de menselijke lichamen die nog maanden na 1 februari in het veld gevonden werden. In streken waar de meeste vrouwen en kinderen geëvacueerd waren leidden de opruimers en schoonmakers tijdelijk min of meer een pioniersbestaan.

Hulp uit het buitenland
Er kwam snel reactie uit het buitenland. Afdelingen van het Rode Kruis uit diverse landen, NAVO-bondgenoten en landen uit alle windstreken stuurden hulpgoederen, voedsel, menskracht en geld.
Uit de vele gaven die de slachtoffers mochten ontvangen uit Europa zijn hieronder slechts enkele ter illustratie genoemd.

Duitsland: 200 speelgoedbeesten en van het Duitse Jeugd Rode Kruis speelgoed en chocolade.
Italië: o.m. 10 schrijfmachines, 10 buitenboordmotoren, 2.500 plaids en 415 stuks plastic speelgoed.
Liechtenstein: 364 kilo aardappelen; Oostenrijk: 6 kisten thermosflessen, 75.000 kilo Portland cement, 13 kisten chocolade en suikerwerk.
Zwitserland: 3.000 zakdoeken en 1.000 kussens en matrassen. Het Zwitsers Jeugd Rode Kruis schonk 2400 schooltassen die werden uitgedeeld in Nieuw Vossemeer, Stavenisse, Middelharnis en Zierikzee.
Bijzonder was een gift uit de Scandinavische landen: zij stuurden de getroffen gebieden houten prefabwoningen. Deze woningen zijn in veel gevallen, al dan niet aangepast aan de eisen van deze tijd, ook nu nog bewoond.

Ook van buiten Europa kwam hulp:

Algiers: levensmiddelen, waaronder 100 kilo macaroni.
Zuid-Afrika: 180 flessen portwijn.
Indonesië: (onder meer) 2000 zandzakken.
Iran: de Rode Halvemaan zorgde voor 9.000 kilo rijst.
Israël: onder meer 49 brilmonturen en 6.500 kisten sinaasappels.
Suriname: 10.000 kilo suiker en 75 balen kokosnoten.
Turkije: dekens.
Nieuw-Zeeland: schoeisel.
De Verenigde Staten en Canada: goederen ter waarde van miljoenen guldens.
Jamaica: ruim 1.000 kilo koffie.
Heel veel landen stuurden onder- en bovenkleding, beddengoed en babykleertjes.