0

Winkelwagen

Bekijken Sluiten
Uw winkelmand is leeg

home expositiefeitenfebruari 1953

Februari 1953

In de nacht van zaterdag 31 januari op zondag 1 februari 1953 was het twee dagen na volle maan. De vloed die om 5.00 uur moest komen was dus een springvloed, 'giertij'. Toch dachten veel mensen dat het wel mee zou vallen. Een oude volkswijsheid was dat als de eb niet kwam, de vloed meestal wel meeviel. Dit keer was dat echter niet het geval. De storm bleef met windkracht 11 tot 12 boven de Noordzee woeden uit het noordnoordwesten. Langs de kust traden windstoten van 135 kilometer per uur op. Al voordat het vloed was ging het op vele plaatsen fout. Rond 2.00 uur kwam het water voor het eerst over de dijken en de vloedplanken heen. Vanaf 3.00 uur begonnen de dijken te breken.

Hoe het begon, zaterdagmiddag
Vanaf vrijdag 30 januari trok een grote storm, met een omvang van circa 1000 km, over Schotland naar de Duitse Bocht. Door de harde noordnoordwesten wind waarmee deze storm gepaard ging, werd het water in de Noordzee opgestuwd in de richting van het Engelse Kanaal.
Op zaterdag 31 januari, de vijftiende verjaardag van prinses Beatrix, leverde de storm spectaculaire beelden op voor de vele mensen in zuidwestelijk Nederland die 'even naar de zee gingen kijken'. Bij vloed 's-middags liepen de buitendijkse schorren onder water. Op sommige plaatsen sloeg het water over de dijk. Toch waren de meeste mensen niet ongerust. Ze verwachtten dat de storm 's-nachts wel in kracht af zou nemen. Bijna niemand realiseerde zich dat de vloed, die in de nacht van zaterdag op zondag plaats zou vinden, een springvloed was.

De waarschuwing
De Stormwaarschuwingsdienst van het KNMI liet aan het eind van zaterdagmiddag een waarschuwingstelegram uitgaan. Na de weersverwachting van 18.00 uur las de nieuwslezer het bericht voor: 'Boven het noordelijke en westelijke deel van de Noordzee woedt een zware storm tussen noordwest en noord'.
Het KNMI waarschuwde voor 'gevaarlijk hoog water'. Het telegram bereikte veel autoriteiten niet. Zij hadden geen abonnement.

Gedurende de daarop volgende nacht kon de radio geen waarschuwingen meer uitzenden. De Nederlandse radio zond tussen 12 uur 's-nachts en 8.00 uur 's-ochtends niet uit.

De eb komt niet
Toen het zaterdagavond donker was geworden had het water weer moeten gaan zakken. Rond 22.30 uur moest het volgens de watertabellen laag water zijn. Het water trok zich echter niet terug, maar bleef staan. De stuwende kracht van de storm doorbrak de getijbeweging. Velen hadden bij eb het water nog nooit zo hoog zien staan. Enkele gewaarschuwden ondernamen actie. Sommigen zagen zelf het gevaar en gingen aan het werk. Velen gingen slapen.

Dijken breken
Juist de lagere en minder goed onderhouden dijken aan de zuidzijden van de polders liepen als eerste over. Het overstromende water spoelt de binnenzijde weg, zodat de dijken nog zwakker worden en de druk van het water niet kunnen weerstaan. Bij Kruiningen, Kortgene en Oude Tonge braken de dijken als eerste. Bij Stavenisse sloeg het water in een keer een gat van 1800 meter. Maar ook in Noord-Brabant, bij Willemstad, Heijningen en Fijnaart, hielden de dijken het niet. Net zomin als in de Zuid-Hollandse Hoeksche Waard, bij 's-Gravendeel, Strijen en Numansdorp.

Het grootste deel van Schouwen-Duiveland overstroomde. Slechts het duingebied op de kop van Schouwen en enkele polders bij Zonnemaire bleven droog. Ook Goeree-Overflakkee was op de duinzijde en enkele polders bij Melissant en Dirksland na geheel door het water bedekt. Huizen stortten in en werden meegesleurd met de stroom. Het wassende water vernietigde zelfs gehele gehuchten. De buurtschappen Schuring bij Numansdorp en Capelle bij Ouwerkerk werden door het water weggevaagd. Er bleef geen huis meer staan. Andere plaatsen hadden geluk. In Colijnsplaat hielden mannen enige tijd de op breken staande vloedplanken tegen toen plotseling een losgeslagen binnenschip redding bracht en als golfbreker voor de coupure terecht kwam.

Ook andere plaatsen bleven gespaard. De Schielandse Hoge Zeedijk, de dijk tussen Schiedam en Gouda langs de Hollandsche IJssel die drie miljoen inwoners tegen het water moest beschermen, hield het maar net. Overal waar het water kwam vluchtten de mensen naar hogergelegen plaatsen. Naar het dorp, naar de dijk, naar de zolder, naar het dak. Daar wachtte men in angst het daglicht af in de hoop dat het water zou gaan zakken.

De eerste telexberichten, uit Zwijndrecht en Willemstad, bereikten de nieuwsredacties rond half vijf 's-ochtends. Die waren echter onbemand, want er verschenen 's-zondags geen kranten. Alleen bij de Radionieuwsdienst van het ANP had men dienst. Daar lazen medewerkers vanaf kwart over vijf de gestaag binnenkomende meldingen. In de loop van de zondagochtend werd de omvang van de ramp langzaam duidelijk.

Het morgenlicht op zondag 1 februari maakte de volle omvang van de ramp ook zichtbaar. 'Ik keek uit over een waanzinnig grote watervlakte', zei een ooggetuige. Hier en daar waren nog daken, een boomkruin of een afgebrokkelde dijk te zien. Verder was er alleen maar water.

Aanvankelijk daalde het water, het werd immers weer eb. Sommige mensen gebruikten dat moment om van de boerderij naar de hogergelegen dorpskern te vluchten. Individuele reddingsacties kwamen op gang. Particulieren gingen met bootjes langs de huizen om mensen op te pikken en op veiliger plaatsen af te zetten.

Grootscheepse, van buiten het getroffen gebied opgezette reddingsacties waren nog niet aan de orde. En na de ochtend ging het water weer stijgen.

De tweede vloed
'Het allerergste was de zondagmiddag, toen de tweede vloed kwam'. Het water kwam toen nog hoger dan 's-nachts. Voor velen bleef maar een ding over: het dak op. Veel huizen die in de nacht nog overeind waren gebleven stortten alsnog in. Het water tilde de daken gewoon van de muren. Mensen verdronken of dreven op delen van het dak of wrakhout over de enorme watermassa. Soms verdronken ze alsnog, soms bleven ze steken bij een dijk. Tegen vijf uur werd het donker. Zo gingen duizenden mensen in het rampgebied nat, koud en dorstig een tweede nacht in. Op zolders, op daken, opeengepakt op dijken of in hoger gelegen huizen.

Lokaal werden reddingsacties uitgevoerd en bij de randgebieden boden de eerste militairen hulp.

Gedurende de gehele zondag was er nog weinig hulp van buitenaf. Over de randgebieden werden slechts enkele verkenningsvluchten uitgevoerd. De voortwoedende storm verhinderde grootschalige hulp vanuit de lucht. Enkele autoriteiten bezochten Dordrecht en West-Brabant. De volle omvang van de ramp was echter na een dag nog niet doorgedrongen. Dat Schouwen-Duiveland, Goeree-Overflakkee en Tholen vrijwel volledig onder water stonden was onbekend.

De redding
Op maandag 2 februari kwamen meer reddingsacties op gang en arriveerden op verschillende locaties in totaal 20.000 militairen. De eerste dorpen aan de randen van het rampgebied werden geëvacueerd. Op de eilanden waren het nog steeds alleen particulieren die met bootjes op weg gingen om mensen te redden. Vooral vissers wisten veel mensen uit hun benarde posities te bevrijden. Toch gingen de vele mensen op Schouwen-Duiveland en Goeree-Overflakkee maandagavond in geïsoleerde huizen, kerken en boerderijen de derde nacht en de vijfde vloed tegemoet.

Pas 's-middags vloog het eerste verkenningsvliegtuig over Schouwen-Duiveland. Wel konden bij Sommelsdijk (op Goeree-Overflakkee) de eerste hulpgoederen gedropt worden. Dinsdag 3 februari was het keerpunt. Pas toen kwam de redding goed op gang. De slachtoffers werden uit het rampgebied geëvacueerd door onder andere Amerikaanse en Italiaanse militairen en leden van de Franse Genie met helikopters en Dukws (amfibische voertuigen, die zowel op land als op water gebruikt konden worden). Hulpverleners kwamen eveneens met honderden schepen het rampgebied binnen.

Op diverse plaatsen ging de coördinatie van de redding over in de handen van militairen. Voedsel werd gedropt en helikopters werden ingezet. In feite was de ramp dinsdagavond voorbij. Er zaten nog wel mensen geïsoleerd, maar er vielen geen slachtoffers meer. Op donderdag 5 februari was iedereen in veiligheid gebracht en geëvacueerd.

In de nacht van zaterdag 31 januari op zondag 1 februari 1953 sloeg de stormvloed over Nederland. Op maandagavond hield minister-president Drees een radiorede toen nog lang geen compleet overzicht van de ramp verkregen was.

Op de 8 februari, dag van nationale rouw, gaf Koningin Juliana een toespraak.