Philipsdam

Plaats: scheidt het zoete Volkerak-Zoommeer en de zoute Oosterschelde
Bouwperiode: tussen 1976 en 1987
Lengte: 7 kilometer
Functie: dam/weg (N257)

De 4 Krammersluizen in de Philipsdam zorgen ervoor dat schepen kunnen blijven passeren.

Historie
In het oorspronkelijke Deltaplan was de bouw van de Philipsdam niet opgenomen. Dit had te maken met het toenmalige uitgangspunt dat de Oosterschelde geheel afgesloten zou worden. De getijdewerking zou daarmee ook verdwijnen. Maar toen na heel veel maatschappelijk en politiek debat, acties en demonstraties de regering besloot de Oosterscheldekering half open te laten ontwerpen, ontstond de noodzaak van zogenaamde compartimenteringswerken (die geen directe functie hebben in het kader van de waterveiligheid). Dit zijn de Philipsdam, de Oesterdam en de Markiezaatskade. Ook de Bathse Spuisluis moet men hierbij rekenen. De bekkens achter deze genoemde dammen werden gecompartimenteerd en gescheiden van de Oosterschelde met getijdewerking.

Hierdoor heeft de scheepvaart naar Antwerpen via de Schelde-Rijnverbinding geen last van eb en vloed. Deze scheepvaartroute loopt via het Volkerak-Zoommeer, dat door de compartimenteringswerken een zoetwaterbekken werd. De Bathse Spuisluis maakt het mogelijk om rechtstreeks op de Westerschelde te lozen. Dat kan zijn om een teveel aan water te spuien of om het Volkerak-Zoommeer te kunnen doorspoelen om te voorkomen dat het zoutgehalte te hoog wordt. De aanliggende landbouwgebieden nemen (zoet) water uit dit bekken in. Om de scheepvaart tussen het Volkerak-Zoommeer en de Oosterschelde mogelijk te maken, was de aanleg van een sluizencomplex noodzakelijk. De bouw heeft geduurd van 1976 tot 1987.

Het ontwerp
Er is gekozen voor de aanleg van een dam die zo ver mogelijk ‘achterin’ het Oosterscheldebekken kwam te liggen. Op deze manier is het oppervlak van dit bekken zo groot mogelijk, waardoor de getijdewerking in de Oosterschelde zo sterk mogelijk kan worden gehouden. De verbinding tussen Sint Philipsland en de reeds aangelegde Grevelingendam leek de beste oplossing. De aansluiting op de Grevelingendam moest op een zodanige plaats gerealiseerd worden dat er eventueel een open verbinding tussen het Grevelingenmeer en de Krammer gemaakt zou kunnen worden voor het geval het Grevelingenmeer toch zoet zou moeten worden. De aansluiting op de Grevelingendam had ook tot voordeel dat op Goeree-Overflakkee geen nieuwe wegen aangelegd hoefden te worden.
Vermeldenswaardig is dat bij de aanleg geen gebruik is gemaakt van caissons, maar dat de stroomgeulen met zand zijn volgestort. Dat is uniek. Het sluizencomplex werd gesitueerd in een diepe geul van de Krammer, waar de te verwachten stroomsnelheden bij sluiting het geringst zouden zijn. De Krammersluizen vormen een immens complex: het is een van de grootste werken ooit door Rijkswaterstaat ontworpen en uitgevoerd. Het is een gecompliceerd systeem, omdat de sluizen op de grens van zout en zoet water liggen. Bij het schutten moet voorkomen worden dat het zoute water in het zoetwatersysteem van de Krammer en het Volkerak-Zoommeer terecht komt. Het ontwerp voorzag in een systeem dat gebruik maakt van het gegeven dat zoet water lichter is dan zout water. Bij het schutproces wordt ‘onderin’ het zoute water weggepompt dan wel het zoete water ‘bovenin’ (afhankelijk van de vaarrichting). In de sluiskolken is daartoe een kleppensysteem aangebracht, waardoor dat water wordt weggepompt.
In het ontwerp waren twee sluiskolken voor de beroepsvaart opgenomen van 280 meter bij 24 meter. Er is ruimte voor een eventuele derde kolk. Ook bevindt zich er een jachtensluis van 75 meter bij 9 meter. Aansluitend op het sluizencomplex zijn aan de noord- en de zuidkant dammen aangelegd. Ook bij deze ontwerpen zijn belangen van landschap en recreatie nadrukkelijk meegenomen. Een uitkijktoren aan de zuidzijde van het sluiscomplex biedt een mooi beeld van de omgeving.

Philipsdam
Philipsdam en Krammersluizen, foto: Rijkswaterstaat, Joop van Houdt

De bouw
Er is begonnen met de aanleg van een werkeiland in 1977 voor het sluizencomplex. In totaal bevat dit de sluiskolken, het zoetwaterbekken, het zoutwaterbekken en de bedieningsgebouwen. De sluizen, die de benaming Krammersluizen kregen, werden voor het eerst in gebruik genomen toen ook de aansluitende damgedeelten voltooid waren. Over het sluizencomplex is een brug gebouwd met een beweegbaar gedeelte over de noordelijke sluiskolk. De N257 loopt over de dam en de brug. Het resultaat van dit alles is zorgvuldig landschappelijk ingepast: een voorbeeld van een integrale aanpak van een Deltawerk.

Slakkenhuis
In scheepvaartkringen wordt de Krammersluis ‘slakkensluis’ genoemd? Dat heeft alles te maken met het feit dat door het ingewikkelde systeem van het scheiden van zoet en zout water het schutproces nogal wat tijd in beslag neemt. En dat terwijl sluizen 13.000 keer per jaar opengaan.

Ontwikkelingen
Niet alleen de beroepsvaart maakt veel gebruik van der Krammersluizen, maar ook de recreatievaart. Om de toegenomen recreatievaart aan te kunnen is in 1994 een tweede jachtensluis gebouwd.
In één van de jachtensluizen is in 2014 een innovatieve zoet-zoutscheiding beproefd. Een bellenscherm blaast luchtbellen vanaf de bodem omhoog, zodat schepen er doorheen kunnen varen, maar zout water richting Krammer geen toegang krijgt.
Een andere ontwikkeling is de aanleg van het windmolenpark in 2017. Maar liefst 34 kolossale windmolens staan er inmiddels die ruim 100.000 huishoudens van stroom kunnen voorzien. Ze hebben de aanblik van de Philipsdam ingrijpend veranderd.

Krammersluizen
Krammersluizen

Uitkijktoren
Wil je de Krammersluizen een keer bekijken? Ten zuiden van de sluizen langs de N257 is een observatiedek. Vanaf de toren heb je prachtig uitzicht over het hele gebied!

Vandaag de dag
De Krammersluizen zijn een belangrijke schakel in het scheepvaartverkeer. Een vlotte afhandeling van de schepen die de sluis passeren, is daarom van belang. Het geteste systeem van het bellenscherm wordt nu ook in de kolken voor de beroepsvaart ingezet. Dat maakt een snellere afhandeling van het schutproces mogelijk en bovendien bespaart Rijkswaterstaat op het dure onderhoud van die vele tientallen schuiven en kleppen in de sluis. Bellenschermen worden nu ook elders in het land ingezet (bijvoorbeeld bij het Amsterdam-Rijnkanaal).
Als het Volkerak-Zoommeer zoet blijft, is het bellenscherm in de Krammersluis een belangrijk middel om het zoute water van de Oosterschelde niet in het Volkerak-Zoommeer te laten binnendringen. Mocht het meer in de toekomst ooit zout worden, dan kan zo’n bellenscherm ingezet worden bij de Volkeraksluizen, die in dat geval de grens gaan vormen tussen zoet en zout water.