Na de Deltawerken

Strijd tegen het water
Na de bouw van de Deltawerken kunnen de Zeeuwen opgelucht ademhalen. De kans op een watersnoodramp als die van 1953 is vele malen kleiner geworden, maar dat wil niet zeggen dat de strijd tegen het water gestreden is. De laaggelegen gebieden in Nederland worden niet alleen bedreigd door hoog water uit de zee, maar ook door hoog water uit de grote rivieren. Wetenschappers verwachten dat het als gevolg van klimaatverandering vaker en heviger zal gaan regenen waardoor rivieren vaker buiten hun oevers zullen treden.

De uitzonderlijk natte zomer van 2004 (314 millimeter neerslag tegen 202 normaal) veroorzaakte op veel plaatsen wateroverlast en de rivieren kregen door de vele regen extra water te verwerken.
Dergelijke natte zomers zullen volgens de deskundigen in de toekomst vaker voorkomen en daar komt bij dat door klimaatverandering ook de zeespiegel stijgt. Om Zeeland en de rest van Nederland veilig te houden is meer nodig dan alleen kustbescherming.

Omslag
De veiligheid blijft voorop staan bij het waterbeheer, maar ook de belangen van onder meer natuur en recreatie spelen een belangrijke rol. De keuze voor een open kering in plaats van een gesloten dam in de Oosterschelde is een omslagpunt in het denken over waterbeheer geweest. Met veiligheid als uitgangspunt zijn destijds de belangen van zowel natuur en milieu als visserij, recreatie, landbouw, scheepvaart en industrie meegenomen.

Dankzij de keuze voor een open kering is het unieke zoutwatermilieu van de Oosterschelde behouden gebleven, maar de uitvoering van het Deltaplan heeft toch grote gevolgen gehad voor de natuur. De getijdenwerking in de Oosterschelde is met een kwart afgenomen en op plaatsen waar eerst het zeewater nog ongehinderd kon stromen, doet dat het achter dammen niet meer en is daardoor zoet(er) geworden.

Gebieden die eerder bij vloed onder water liepen, zijn drooggevallen en plaatsen die vroeger bij eb droogvielen, staan nu permanent onder water. Geulen en kreken zijn dichtgeslibd en zandplaten afgekalfd. Zoutwatervissen zijn verdwenen en een aantal vogelsoorten weggetrokken. Andere soorten zijn ervoor in de plaats gekomen.

Haringvliet
Natuurontwikkeling Haringvliet

Natuur ontwikkelen
Sinds 1985 wordt geëxperimenteerd met natuurontwikkelingsprojecten. In Haringvliet, Hollandsch diep en Biesbosch laat de mens de natuur haar gang gaan. Op sommige plaatsen zijn dijken doorgestoken en op andere plekken krijgt stuifzand vrij spel. Op en rond voormalig werkeiland Neeltje Jans zijn stranden, duinen en vogeleilanden aangelegd. Het beton en staal van de Deltawerken is een thuis geworden voor allerlei wieren en schelpen.

Na de afsluiting van het Haringvliet in 1970 wordt het water er langzaam zoet.  Om de natuur zoveel mogelijk te ontzien zijn in een aantal openingen van de Haringvlietsluizen speciale tunnels gemaakt zodat vissen zelfs als alle schuiven gesloten zijn van het Haringvliet naar de Noordzee en terug kunnen zwemmen.

Omdat desondanks trekvissen als zalm en forel moeite blijken te hebben met het bereiken van hun paaigebieden wordt in 2011 besloten de sluizen op een kier te zetten. De trekvissen kunnen dan de sluizen passeren en er ontstaat een meer natuurlijke overgang tussen zout zeewater en zoet rivierwater. Dat betekent echter ook dat het westelijk deel van het Haringvliet zouter wordt. De sluizen worden pas in 2018 op een kier gezet.

Tot die tijd werkt de overheid aan compenserende maatregelen. Er komt een zoetwatertracé voor zowel Voorne-Putten als Goeree-Overflakkee. Om klanten op Goeree-Overflakkee en Schouwen-Duiveland van goed drinkwater te voorzien wint Evides Waterbedrijf oppervlaktewater uit het Haringvliet en zorgt ervoor dat het gezuiverd wordt.

Project zeeweringen
Hoewel Zeeland door de dammen en stormvloedkering een stuk veiliger is geworden zijn ook de zeeweringen versterkt. De Wet op de Waterkering (1990) schrijft voor hoe sterk een dijk en de steenbekleding moeten zijn. Voor Zeeland is de norm dat de zeeweringen een superstormvloed – die gemiddeld eens in de 4000 jaar voorkomt – moeten kunnen weerstaan.

Volgens een in 2008 uitgekomen rapport van de Deltacommissie moet rekening worden gehouden met een zeespiegelstijging tot 1.30 meter in het jaar 2100. In het verlengde daarvan – voorspelt de commissie – dringt steeds meer zout water via de rivieren en het grondwater het land in. De zoetwatervoorziening kan daardoor in de knel komen.

Projectbureau Zeeweringen
Projectbureau Zeeweringen

Zoetwaterreservoir
De commissie doet voor de periode tot 2100 een aantal aanbevelingen. Daarbij gaat het niet alleen om het verhogen van het veiligheidsniveau door zeeweringen aan te passen, maar ook om het niet belemmeren van de afvoercapaciteit van rivieren. Rivieren moeten meer ruimte krijgen. Krammer-Volkerak en Zoommeer dienen te worden gebruikt voor tijdelijke opvang van rivierwater van Rijn en Maas. Een andere aanbeveling is het versterken van de strategische functie van het IJsselmeer als zoetwaterreservoir voor het noorden en westen van Nederland.

Belangrijk wapen in de strijd tegen het water is zandsuppletie. Door op grote schaal langs de hele kust extra zand op te spuiten kan de kust ‘aangroeien’. Het verlies aan schorren en slikken wordt zo beperkt. Ook het Waddengebied moet door zandsuppleties ‘meegroeien’ met de stijging van de zeespiegel. Verder moet de levensduur van de stormvloedkering verlengd worden.

Deltaprogramma
Na het aanbieden van het adviesrapport van de Deltacommissie aan het kabinet in 2008 is de commissie opgeheven. Het kabinet heeft de adviezen overgenomen en dat heeft geresulteerd in een Deltawet, een Deltaprogramma en het aanstellen van Wim Kuijken als Deltacommissaris. Op verschillende plaatsen in Nederland wordt ingespeeld op Deltawet en Deltaprogramma.

Boer Bier Water
In Noord-Limburg hebben gemeenten en waterschap het project Waterklaar op poten gezet. Doel van dat project is vasthouden van water en tegengaan van wateroverlast door het afkoppelen van regenwater van het rioolstelsel. Bij het project Boer Bier Water werken bedrijfsleven (onder meer brouwerij Bavaria), lokale boeren en overheid samen om zoetwaterbronnen te beschermen tegen verontreiniging. Bavaria loost het afvalwater niet meer, maar zuivert het en verdeelt het onder boeren en tuinders.

De provincies Gelderland en Utrecht, 28 gemeenten en waterschap Vallei en Veluwe gaan samen werken aan klimaatbestendige toekomst aan de hand van het manifest Ruimtelijke Adaptatie. Het is de bedoeling in kaart te brengen hoe kwetsbaar Gelderland en Utrecht zijn voor wateroverlast, overstromingen, hitte en droogte. Daarna wordt gekeken wat er moet gebeuren om het gebied minder kwetsbaar te maken.

Ondergronds beregenen
Momenteel wordt in het kader van het manifest geëxperimenteerd met ‘subirrigatie’. Dat is een vorm van ondergronds beregenen waarbij water via een drainagesysteem ondergronds verspreid wordt. Daardoor blijven de wortels vochtig en is er minder verlies door verdamping.

Andere werken
In de afgelopen 50 jaar zijn naast de Deltawerken meer belangrijke waterbouwkundige projecten gerealiseerd in het deltagebied. De Zeelandbrug (1963-1965) en de Westerscheldetunnel (1998-2003) hebben Zeeland beter bereikbaar gemaakt.

Tot 1965 is het pontje tussen het Schouwse Zierikzee en het Bevelandse Kats de enige manier om de Oosterschelde over te steken. In die jaren ziet het er naar uit dat er op z’n vroegst in 1978 een dam tussen Schouwen-Duiveland en Noord-Beveland zal komen. Uiteindelijk wordt het geen dam maar een stormvloedkering, die in 1986 in gebruik genomen wordt.

Noord-zuidverbinding
Het pontje kan de in de jaren zestig fors toegenomen verkeersdrukte niet meer aan en de behoefte aan een goede noord-zuidverbinding wordt steeds groter. Daarom geeft de provincie Zeeland in 1963 opdracht tot de bouw van de Zeelandbrug tussen Schouwen-Duiveland en Noord-Beveland. Met z’n vijf kilometer lengte is de brug – toen nog Oosterscheldebrug genoemd – meteen de langste van Nederland. De Zeelandbrug bestaat uit 54 pijlers met daartussen overspanningen van elk 95 meter breed. Verder is er doorgang voor de scheepvaart gemaakt door een brugdeel van 40 meter lengte beweegbaar te maken.

De brug wordt op 15 december 1965 officieel geopend door toenmalig koningin Juliana. In april 1967 wordt de Oosterscheldebrug omgedoopt tot Zeelandbrug. Tot 1993 moeten gebruikers van de brug tol betalen, daarna is deze tolvrij. De opening van de Zeelandbrug maakt Schouwen-Duiveland veel beter toegankelijk. Het massatoerisme naar Schouwen-Duiveland komt op gang. Vooral de Westhoek met z’n duinen en achttien kilometer strand profiteert hiervan.

Zeelandbrug Watersnoodmuseum
Zeelandbrug

Geboorde tunnel
Andere belangrijke schakel in de noord-zuidverbinding is de Westerscheldetunnel tussen Ellewoutsdijk op Zuid-Beveland en het Zeeuws-Vlaamse Terneuzen. Wegverkeer kan via de Westerscheldetunnel en de Zeelandbrug eenvoudig van Rotterdam naar België rijden.

De bouw van de 6.6 kilometer lange tunnel is technisch gezien een uniek project. Groot voordeel van een geboorde tunnel is in dit geval dat schepen ongehinderd kunnen passeren. De meeste tunnels in Europa worden geboord in harde, rotsachtige materie. Dat lijkt moeilijker dan boren in de relatief zachte bodem van de Westerschelde, maar dat is het niet. Het is de eerste keer in de geschiedenis van West-Europa dat zo’n lange en diepe tunnel wordt geboord door zand en klei.

Voor het boren in deze slappe ondergrond wordt in Duitsland speciaal voor de Westerscheldetunnel een tunnelboormachine gebouwd. Deze werkt volgens de ‘hydroschildmethode’. De boormachine staat aan de voorkant in contact met de grond die moet worden weggegraven. Een snijrad met zes armen en in totaal 64 tanden graven de grond lag voor laag af.

Boorschild
De boormachine wordt omhuld door een metalen boorschild met een doorsnede van elf meter dat het geboorde gat in stand houdt en er voor zorgt dat er geen zand en water de tunnel binnen kan stromen. Steeds als de boormachine een stuk verder is wordt een deel van de definitieve tunnelwand geplaatst.

Hoe dieper de boormachine komt hoe hoger de druk. Op het diepste punt – 60 meter onder de zeespiegel – is de druk (7 bar) zeven keer zo groot als de normale luchtdruk op het aardoppervlak. Tijdens het boren wordt in de tunnel kunstmatig een normale luchtdruk gehandhaafd, omdat er anders niet gewerkt kan worden.

De Westerscheldetunnel komt in de plaats van de veerdiensten Vlissingen-Breskens en Kruiningen-Perkpolder. Bij slecht weer zijn de diensten snel uit de vaart en dat betekent dat iemand die van Middelburg op Walcheren naar Oostburg in Zeeuws-Vlaanderen wil, moet wachten tot het veer weer vaart of omrijden via Noord-Brabant. Met de opening van de Westerscheldetunnel in 2003 is dat verleden tijd.

Eerdere plannen
Het idee om een tunnel onder de Westerschelde te bouwen is niet nieuw. Al in de jaren ‘30 van de twintigste eeuw komen zakenlui uit Goes met een dergelijk plan, maar over de haalbaarheid ervan zijn de deskundigen het onderling niet eens. Aan het eind van de jaren ‘60 zijn er wederom plannen voor een vaste verbinding tussen Zeeuws-Vlaanderen en Zuid-Beveland. Het plan bestaat uit een combinatie van een hangbrug en een op de bodem van de Westerschelde afgezonken tunnel.

Het plan wordt uiteindelijk te duur bevonden. Vanaf 1986 komt de ideeënstroom weer op gang. Eerst wordt nog voortgeborduurd op oude plannen, maar later komt het idee voor een geboorde tunnel in beeld. In 1996 wordt – na jaren discussie – de knoop doorgehakt en in 1998 begint de aanleg van de Westerscheldetunnel. Toenmalig koningin Beatrix verricht op 14 maart 2003 de officiële opening van de Westerscheldetunnel.

Westerscheldetunnel
Westerscheldetunnel

Lauwersmeer (1969)
Naast de Deltawerken in het zuidwesten van Nederland worden na de watersnoodramp van 1953 ook op andere plaatsen maatregelen getroffen om land en mensen tegen de zee te beschermen. In 1969 wordt de Lauwerszee, een inham van de Waddenzee op de grens van Groningen en Friesland, afgesloten en ontstaat het Lauwersmeer. Het risico op een overstroming van het achterliggende land bij een stormvloed is in de visie van de toenmalige bestuurders te groot.

Om het gevaar van de Lauwerszee te bezweren zijn er verschillende mogelijkheden. Natuurbeschermers en vissers pleiten voor ophogen van de omliggende zeedijken. De Friezen en Groningers zien liefst een afsluitdijk die in hun ogen voor meer veiligheid zorgt. Uiteindelijk wordt – onder druk van de bevolking – gekozen voor een afsluitdijk.

In 1961 wordt begonnen met het karwei. Er moet een afsluitdijk van 13 kilometer lang worden aangelegd, compleet met spuisluizen en een schutsluis. De manier van werken lijkt veel op de werkwijze die bij de Deltawerken is toegepast. Om het gat te dichten worden caissons en doorlaatcaissons gebruikt. De doorlaatcaissons worden ter plaatse op werkeiland Lauwersoog gebouwd. Op 23 mei 1969 wordt de laatste caisson afgezonken en is de Lauwerszee het Lauwersmeer geworden.

Nationaal Park
De afsluiting van de Lauwerszee heeft grote gevolgen voor de natuur in het gebied. Het water wordt langzaam brak en zeehonden raken hun geliefde leefgebied kwijt. Ze vertrekken noodgedwongen naar andere delen van de Waddenzee. De eerste jaren na de afsluiting mag de natuur zonder menselijke bemoeienis haar gang gaan in het gebied.

Vanaf 1980 wordt een actief natuurbeleid gevoerd. Stukken land worden begraasd door koeien en schapen. Eerst alleen in de zomer, maar later het hele jaar door. Zoetwatervissen trekken naar het gebied en maken het daarmee aantrekkelijk voor vogels als aalscholvers, lepelaars en duikeenden. Later kiezen ook mollen, reeën, konijnen en vossen er hun domicilie. Zo ontstaat een uniek nieuw natuurgebied dat in november 2003 de status van Nationaal Park krijgt.

Naast een uniek natuurgebied is het Lauwersmeer ook een drukbezocht recreatiegebied. Het voormalige werkeiland Lauwersoog is uitgegroeid tot een havenplaats met een visserijhaven en een veerpont naar Schiermonnikoog. In het gebied – in trek bij zeilers, surfers en wadlopers – zijn bungalowparken, campings en zeilscholen te vinden.

De Afsluitdijk (1920-1933)
Tussen Noord-Holland en Friesland wordt de afsluitdijk aangelegd. Met de 32 kilometer lange dijk – onderdeel van de Zuiderzeewerken – wordt de Zuiderzee afgesloten. Een belangrijke stap in de bescherming van Nederland tegen het water.

Het idee voor de afsluiting van de Zuiderzee wordt in de zeventiende eeuw al geopperd door Hendrik Stevin. Zijn plan voor inpoldering is in die tijd echter onuitvoerbaar. Er zijn geen stoomgemalen om het water uit nieuwe verworven polders te kunnen pompen. Het plan gaat de ijskast in.

Rond 1880 laait de discussie over inpoldering van de Zuiderzee weer op. De plannenmakers zien in dat zij de kosten voor een dergelijk groot project nooit alleen kunnen dragen en de steun van de overheid nodig hebben. Zij richten in 1885 de Zuiderzeevereniging op en stellen Ir. Cornelis Lely aan als adviseur.

Wereldoorlog
Lely wordt in 1891 minister van waterstaat en rondt in datzelfde jaar zijn plan voor inpoldering af. Er zijn echter teveel twijfels over de vraag of de kosten opwegen tegen de (land)winst en het plan belandt net als dat van Stevin in de ijskast. In 1913 oordeelt koningin Wilhelmina dat het tijd is om het plan alsnog uit te voeren. In 1914 breekt echter de Eerste Wereldoorlog uit en het inpolderingplan van Lely gaat wederom de ijskast in.

Als Nederland in 1916 getroffen wordt door de Zuiderzeevloed krijgt het plan van Cornelis Lely hernieuwde aandacht. Lely wil een dijk aanleggen van Noord-Holland via het bestaande eiland Wieringen naar Friesland. Als die dijk er eenmaal is kan de Zuiderzee worden ingepolderd.

De tweede nooit uitgevoerde fase van Lely’s plan behelst de aanleg van een dijk van Den Helder naar Terschelling en vandaar naar Ameland, Schiermonnikoog en Rottum. Dat maakt het mogelijk een groot deel van de Waddenzee in te dijken.
In 1918 wordt het wetsontwerp voor de inpoldering van de Zuiderzee door de Tweede Kamer aangenomen en in 1920 wordt begonnen met de uitvoering van het project.

Afsluitdijk Watersnoodmuseum
Afsluitdijk

Uitwateringssluizen
Allereerst wordt begonnen met de bouw van uitwateringssluizen. Deze dienen om het overtollige water van het IJsselmeer bij eb op de Waddenzee te lozen. In de afsluitdijk zijn vijf groepen van vijf uitwateringssluizen gebruikt: drie groepen bij Den Oever (Lorentzsluizen) en twee op het Kornwerderzand (Stevinsluizen). Omdat de bodem op een van plaatsen waar een groep sluizen moet komen niet geschikt blijkt, wordt in 1923 het tracé van de dijk iets naar het noorden verlegd. Dat verklaart de kleine knik in de afsluitdijk.

De afsluitdijk is op de waterlijn 90 meter breed. De sluizen zijn elk 12 meter breed en vier meter diep. Bij de aanleg van de afsluitdijk is 27 miljoen kubieke meter zand en 15 miljoen kubieke meter keileem gebruikt. Keileem is een mengsel van keien, grind, zand en leem. Een hard en taai materiaal dat tijdens de op één na laatste ijstijd uit Scandinavië is aangevoerd. Door de stenen van enkele decimeters groot blijft keileem goed op zijn plaats bij stroomsnelheden tot 4 meter per seconde.

De dijk is gefundeerd op zinkstukken van gevlochten wilgentenen die werden afgezonken door er steenblokken op te storten. Als blijkt dat het hout van de zinkstukken vol paalworm zit wordt bariet – een steensoort uit Duitsland – gebruikt om de dijkfundering te verstevigen.

In 1932 wordt het laatste sluitgat – De Vlieter – gesloten. Een jaar later wordt de afsluitdijk opengesteld voor het wegverkeer. Over de Afsluitdijk loopt een verkeersweg die Noord-Holland en Friesland met elkaar verbindt.