Veiligheid

Hoe kon de Watersnoodramp van 1953 gebeuren?

Over de dijken in Zuidwest Nederland maken deskundigen zich al ver voor 1953 zorgen. Rijkswaterstaat roept in de jaren ‘30 dat er snel iets moet gebeuren. Een studiedienst doet onderzoek naar de gevolgen van inpoldering van de Hollandse Biesbosch. De conclusie is helder en voor Dordrecht en omgeving alarmerend: de dijken zijn te laag. Uit eerdere rapporten bleek al dat de dijken in West-Brabant niet aan de veiligheidseisen voldoen.
Meer dan voldoende reden om alarm te slaan, maar de roep van de deskundigen wordt nauwelijks gehoord. Ir. De Muralt komt met een goedkope manier om de dijken te verhogen: 120 kilometer zeedijk wordt voorzien van een ‘Muraltmuur’ op de kruin, maar daar blijft het bij. In april 1943 komt tijdens een uitzonderlijk hoge waterstand op veel plaatsen het water over de dijken heen. Er wordt opnieuw onderzoek gedaan en weer zijn de uitkomsten alarmerend.

Tweede Wereldoorlog
Het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog voorkomt dat de plannen van Rijkswaterstaat om de dijken rond Dordrecht te verbeteren worden uitgevoerd. Wel worden tijdens WO II verdere studies uitgevoerd en een Stormvloedcommissie opgericht. Rijkswaterstaat besteedt haar aandacht op dat moment echter liever aan inpoldering van de Zuiderzee.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog loopt het Zeeuwse landschap door bombardementen veel schade op. Ook worden delen van Zeeland opzettelijk onder water gezet. Het herstelwerk aan het Zeeuwse landschap komt in maart 1945 op gang en in februari 1946 zijn de dijken om Walcheren weer dicht. Tot de volgens Rijkswaterstaat noodzakelijke dijkverhogingen komt het niet, ondanks aandringen van de studiedienst van Rijkswaterstaat.

Verzilting
Daarbij speelt ook het probleem van de verzilting van landbouwgrond. Door het verdiepen van waterwegen aan de kust kan het zoute water steeds makkelijker landinwaarts komen en dat is niet zonder gevolgen voor de akkerbouw. Veel landbouwgewassen kunnen niet tegen zout of brak water en gaan dood. Er worden plannen gesmeed om de verzilting tegen te gaan.
Er zijn al jaren geen ernstige overstromingen geweest en het beschikbare geld is hard nodig om ervoor te zorgen dat de akkerbouw het hoofd boven water kan houden en oogsten niet meer mislukken. Herstel van de oorlogsschade aan het landschap slokt eveneens veel geld en tijd op en dat alles leidt de aandacht af van de toestand van de dijken.

Orkaan
Naast de slechte staat van de dijken speelt een ongelukkige combinatie van klimatologische omstandigheden Zuidwest Nederland parten in 1953. Een depressie ten zuiden van IJsland ontwikkelt zich tot een orkaan bij Schotland en die verplaatst zich naar Nederland.
In de avond van 31 januari 1953 wordt windkracht 11 gemeten. Door de kracht van de storm wordt het water meer dan 3 meter opgestuwd en daar komt nog eens een springvloed bij. Dat blijkt fataal voor de slecht onderhouden dijken. In de nacht van 31 januari op 1 februari 1953 breken 89 dijken door.
De watersnoodramp maakt duidelijk dat er nu echt iets aan de dijken gedaan moet worden. Op 4 februari 1953 kondigt minister-president Willem Drees in de Tweede Kamer aan dat herstel van de dijken de hoogste prioriteit krijgt. Er wordt een Delta-commissie in het leven geroepen met als hoofd ir. A. G. Maris, toenmalig directeur-generaal van Rijkswaterstaat. Vrijwilligers en dijkwerkers zijn dan al druk bezig de gaten in de dijken te dichten zodat de zee geen vrij spel meer heeft en het definitieve herstel kan beginnen.

Dijkgat Watersnoodramp
Dijkgat

Steen, matten en kistdammen
De watersnoodramp heeft op ongeveer vijfhonderd plaatsen grote en kleinere stroomgaten in de dijken geslagen. Met het herstel wordt meteen begonnen. Nog tijdens de rampnacht en de daarop volgende dagen worden bressen gedicht met zandzakken. Die ‘nooddichtingen’ worden in de weken erna met steen, matten, kistdammen en schepen versterkt.
De start van dat definitieve herstelwerk is moeizaam. De verschillende betrokken organisaties hebben ieder zo hun eigen idee over wat de beste methode is. De een wil werken met caissons (grote betonnen ‘blokkendozen’) en andere geven de voorkeur aan klei en steen. Uiteindelijk wordt gekozen voor caissons.

Sluiting Ouwerkerk Caissons
Plaatsing van de caissons bij Ouwerkerk

Begin april is het grootste deel van het rampgebied droog, maar er zijn enkele moeilijk te dichten stroomgaten zoals bij Bath, Kruiningen, Schelphoek en Ouwerkerk. Het gat bij Bath wordt gedicht met een scheepscasco. Bij Kruiningen zijn drie gaten te dichten: het westgat, het oostgat en het gat in de veerhaven. Het dichten van het oostgat blijkt een lastig karwei. Uiteindelijk wordt de klus geklaard met een ringrijk (waarin 40 caissons verwerkt worden) en een 33 meter lang ponton van zogeheten ‘eenheidscaissons’.
Het laatste te dichten gat is dat bij Ouwerkerk. De stroomsnelheden zijn er zo hoog dat het aanvankelijk niet lukt de loodzware caissons precies in de juiste positie te manoeuvreren, maar uiteindelijk wordt het gat op 24 november 1953 toch gedicht. Voor de dijkwerkers voelt het als een overwinning nu het rampgebied officieel droog kan worden verklaard.